Scheiden, wat gebeurt er met de aftrek?
Hypotheekrenteaftrek en echtscheiding
Uit art. 2.17, lid 5, blijkt dat de eigen woning een gemeenschappelijk inkomensbestanddeel is. Dit brengt met zich dat partners zelf kunnen kiezen wie en voor welk gedeelte het eigenwoningforfait aangeeft en de hypotheekrente in aftrek brengt. Zie aantekening 4 van het commentaar op art. 3.115.
Indien partners echter uit elkaar gaan, speelt de volgende vraag een rol: Wanneer vangt de dertigjaarstermijn aan voor de partner die ten tijde van het huwelijk of partnerschap geen rente in aftrek heeft gebracht? Het antwoord op deze vraag wordt gegeven door middel van het volgende voorbeeld:
‘Partner A en partner B kopen een eigen woning ter waarde € 136.134. Dit bedrag wordt geheel gefinancierd met een hypothecaire lening. Na tien jaar besluiten zij uit elkaar te gaan. Op dat moment heeft de woning een waarde van € 181.512. De fiscale gevolgen daarvan hangen af van de afspraken die beide partners met elkaar maken.
Stel dat wordt afgesproken dat de woning, inclusief de gehele schuld, aan partner A wordt toebedeeld en voorts dat A een bedrag van € 22.689 aan B dient te betalen (de helft van de waarde van de woning, verminderd met de daarop rustende schuld).
Indien A het aan B te betalen bedrag van € 22.689 via een tweede hypotheek op de woning bekostigt, zal A na het uit elkaar gaan een totale schuld van € 158.823 hebben. Voor de nieuwe schuld van € 22.689, begint een nieuwe periode van dertig jaren te lopen (art. 3.120, lid 4, onderdeel c, is in dit geval niet van toepassing, omdat na het uit elkaar gaan A geen gezamenlijke huishouding meer voert met B).
Wat betreft de oude schuld van € 136.134 ontstaat een ander beeld. De wijze waarop A en B de betaalde hypotheekrente in het verleden fiscaal hebben verwerkt, speelt daarbij een belangrijke rol.
Indien A gedurende de gehele samenleefperiode de rente over de volledige hypothecaire schuld van € 136.134 in aftrek heeft gebracht, resteert voor A na het uit elkaar gaan nog een periode van twintig jaren waarin de rente op deze schuld van € 136.134 aftrekbaar is;
Indien A en B gedurende de gehele samenleefperiode elk de helft van de betaalde rente in aftrek hebben gebracht, wordt de lening van € 136.134 voor de toepassing van de dertigjaarsperiode in twee delen gesplitst. Enerzijds een bedrag van € 68.067 ter zake waarvan A al tien jaren lang rente in aftrek heeft kunnen brengen.
Voor dit deel van de lening resteert derhalve nog een aftrekperiode van twintig jaren. Anderzijds een bedrag van (eveneens) € 68.067. Deze lening kan voor A als een ‘nieuwe lening’ worden gekwalificeerd, omdat dit deel van de lening samenhangt met het toedelen van het gedeelte van de eigen woning dat aan B toebehoorde en B de rente over dat bedrag gedurende de samenleefperiode in aftrek heeft gebracht. In dat geval zal A over dit bedrag van € 68.067 de rente nog dertig jaren kunnen aftrekken;
Indien B gedurende de gehele samenleefperiode de rente over de volledige hypothecaire schuld van € 136.134 in aftrek heeft gebracht, vangt voor A de periode van dertig jaren pas na het uit elkaar gaan aan.’Kamerstukken, 26 727 en 26 728, nr. 202a, p. 50-51 en P.N.G. Kleinreesink, De eigen woning in de Wet IB 2001, Tekst en toelichting, Reeks Fiscale Wet- en Regelgeving, Sdu Fiscale & Financiële Uitgevers, Amersfoort 2001, p. 147-148 en J.E. van den Berg en C.J.J.M. Kock, De eigen woning in de Wet IB 2001, Lenen, beleggen, verzekeren en het eigen huis, Financial Planning Reeks, Kluwer Deventer 2001, p. 132-133.
Concluderend kan gezegd worden dat degene van de partners die de rente in aftrek brengt, zijn dertigjaarsperiode verkort ziet worden, ook als partijen in gemeenschap van goederen gehuwd zijn. Het is dus zaak om gedurende de samenleefperiode bij te houden wie van de partners welk deel van de rente in aftrek brengt. De vraag is echter hoe uitvoerbaar dit is. Belastingplichtigen die fiscaal partners van elkaar zijn, mogen immers jaarlijks kiezen wie het saldo van het eigenwoningforfait en de hypotheekrente in aftrek brengt en voor welk gedeelte. Jaarlijks kunnen zij dus een andere verdeling hanteren, waardoor de hierboven geschetste berekeningen veel gecompliceerder worden. Hierbij zullen mijns inziens problemen gaan ontstaan met betrekking tot het bijhouden, controleren en bewijzen van het feit wie de hypotheekrente in aftrek heeft gebracht. Waarschijnlijk zal wat betreft de bewijslast de regel gehanteerd worden, wie stelt moet ook bewijzen.
Een ander punt bij hypotheekrenteaftrek en echtscheiding is wie de hypotheekrente in aftrek mag brengen in de periode vanaf het duurzaam gescheiden leven van de echtgenoten tot aan het uitspreken van de echtscheiding.
De volgende casus wordt geschetst:
‘Een echtpaar dat in gemeenschap van goederen is gehuwd, heeft een eigen woning. Op 1 juli 2001 gaan zij duurzaam gescheiden leven en verlaat de man de woning. Zij betalen ieder de helft van de hypotheekrente, ook nadat ze duurzaam gescheiden zijn gaan leven. De scheiding wordt op 1 september 2004 uitgesproken. De woning en de hypotheekschuld worden per die datum toegedeeld aan de vrouw.
Vanaf 1 juli 2001 is de woning voor de man geen eigen woning meer (art. 3.111, lid 1). Op grond van art. 3.111, lid 4 wordt de woning echter gedurende ten hoogste twee jaren na het tijdstip waarop de woning de man niet langer als eigen woning ter beschikking staat nog aangemerkt als eigen woning. De tweejaarstermijn is gaan lopen op 1 juli 2001. De rente die betrekking heeft op de periode tot 1 juli 2003 kan dus als eigenwoningrente in aftrek worden gebracht. De man geeft over de periode tot 1 juli 2003 het eigenwoningforfait aan over zijn deel. Dit kan hij vervolgens als onderhoudsverplichting aftrekken (art. 6.3, lid 2). Vanaf 1 juli 2003 wordt zowel het aandeel in de eigen woning als het aandeel van de hypotheekschuld van de man in aanmerking genomen in box III en is de rente niet meer aftrekbaar.
In de periode vanaf 1 juli 2001 geeft de vrouw over haar (onverdeelde) helft het eigenwoningforfait aan en trekt de hypotheekrente van haar (onverdeelde) aandeel in de schuld af. Per 1 september 2004 wordt de woning volledig aangemerkt als een eigen woning van de vrouw. Zij kan de hypotheekrente voor haar gedeelte van de schuld, maar ook voor de schuld van de man die in het kader van de scheiding aan haar is toebedeeld, in aftrek brengen en dient het volledige eigenwoningforfait aan te geven. In de periode vanaf 1 juli 2001 tot 1 september 2004 geeft zij op grond van art. 3.101, lid 2, het deel van het eigenwoningforfait dat betrekking heeft op het aandeel van de echtgenoot als ontvangen verstrekking aan.’
(besluit van 25 augustus 2000, nr. CPP2000/1313, vraag B.3.6.B en B.3.6.C).